ECLI:NL:RVS:2022:1262

Raad van State

Datum uitspraak
29 april 2022
Publicatiedatum
28 april 2022
Zaaknummer
202202156/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet tijdig besluit asielaanvraag

De rechtbank heeft op 24 maart 2022 het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag gegrond verklaard. De rechtbank vernietigde het niet tijdig genomen besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen acht weken alsnog een besluit moet nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.

De voorzieningenrechter oordeelde dat uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft en geen onevenredige inspanning vergt, mede omdat de staatssecretaris aangaf binnen de termijn alsnog een besluit te nemen. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 759,00.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202202156/2/V3.
Datum uitspraak: 29 april 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 maart 2022 in zaak nr. NL21.16269 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij uitspraak van 24 maart 2022 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag, gegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag moet nemen. De rechtbank heeft daarnaast bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdeling een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.       Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank strekt er niet toe dat de staatssecretaris de gevraagde vergunning moet verlenen. Uitvoering van de uitspraak heeft daarom geen gevolgen die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat uitvoering van de uitspraak van de staatssecretaris geen onevenredige inspanning vergt. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter in het bijzonder dat de staatssecretaris in zijn verzoek te kennen heeft gegeven dat hij binnen de door de rechtbank gestelde termijn alsnog een besluit zal nemen op de aanvraag.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst het verzoek af;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.
w.g. Baldinger
voorzieningenrechter
w.g. Verweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2022
644