ECLI:NL:RVS:2022:1352
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Huurtoeslagberekening 2017 en toepassing 10%-regeling bij medebewoner
De zaak betreft de definitieve berekening van de huurtoeslag over 2017 voor [wederpartij], waarbij de Belastingdienst/Toeslagen het inkomen van haar zoon als medebewoner heeft betrokken. De zoon was tot 4 augustus 2017 ingeschreven op hetzelfde adres. De Belastingdienst herleidde het inkomen van de zoon naar een jaarinkomen van € 8.925,00 via de 10%-regeling, terwijl het daadwerkelijke inkomen tot die datum € 5.950,00 bedroeg.
De rechtbank Limburg oordeelde dat het inkomen slechts over de periode van medebewonerschap in aanmerking moest worden genomen en verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond. De Belastingdienst stelde hoger beroep in en voerde aan dat de herleiding naar een jaarinkomen juist bedoeld is om toeslagen correct te berekenen en dat de 10%-regeling juist onevenwichtigheden wegneemt.
De Raad van State overweegt dat de Belastingdienst terecht is uitgegaan van het herleide jaarinkomen en dat de rechtbank ten onrechte het inkomen alleen over de periode van medebewonerschap wilde betrekken. De 10%-regeling is correct toegepast en houdt rekening met inkomensverschillen. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van [wederpartij] ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van [wederpartij] wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.