ECLI:NL:RVS:2022:1467

Raad van State

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
24 mei 2022
Zaaknummer
202107876/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 november 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing op 13 december 2021 ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tijdens de procedure meldde de staatssecretaris op 13 januari 2022 dat de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van de vreemdeling trok zich op 11 mei 2022 terug wegens langdurig contactverlies met de vreemdeling. De Afdeling concludeerde hieruit dat de vreemdeling geen bescherming meer zoekt in Nederland en derhalve geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

Op grond hiervan verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenveroordeling af. Het vonnis werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer op 24 mei 2022.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

202107876/1/V2.
Datum uitspraak: 24 mei 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 december 2021 in zaak nr. NL21.17879 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 13 december 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, toen vertegenwoordigd door mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de Afdeling op 13 januari 2022 laten weten dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van de vreemdeling heeft op 11 mei 2022 laten weten dat zij zich terugtrekt als zijn gemachtigde in deze zaak, omdat zij al geruime tijd geen contact meer met de vreemdeling kan krijgen. Uit dit laatste leidt de Afdeling af dat de vreemdeling niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2022
363-979