ECLI:NL:RVS:2022:1535
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 1 november 2019 het besluit om de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde op 8 oktober 2021. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op 15 april 2022 trok de staatssecretaris het besluit van 1 november 2019 in en nam de vreemdeling alsnog op in de nationale asielprocedure, omdat de overdrachtstermijn van de Dublinverordening was verstreken. De vreemdeling handhaafde haar hoger beroep alleen indien de Afdeling de staatssecretaris niet zou veroordelen in de proceskosten.
De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling geen belang meer had bij het hoger beroep tegen het ingetrokken besluit en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd geoordeeld dat de staatssecretaris geen proceskosten hoefde te vergoeden, omdat het alsnog in behandeling nemen van de aanvraag geen tegemoetkoming was maar het gevolg van tijdsverloop.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bestreden besluit is ingetrokken en de vreemdeling geen belang meer heeft.