ECLI:NL:RVS:2022:154
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek kinderopvangtoeslag 2012-2014
Appellante, een alleenstaande moeder met twee kinderen, ontving kinderopvangtoeslag voor buitenschoolse opvang over de jaren 2012, 2013 en 2014. De Belastingdienst stelde de toeslagbedragen definitief vast bij besluiten in 2014, 2015 en 2016, welke onherroepelijk zijn. Appellante verzocht in 2017 om herziening van deze besluiten, maar haar verzoeken werden afgewezen en ook het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde dat er een mismatch bestond tussen de opvanguren die zij nodig had voor haar re-integratieverplichtingen en de uren die zij mocht opvoeren voor toeslag. Tevens betoogde zij dat de Belastingdienst uitging van een onjuist aantal gewerkte uren. De Belastingdienst heeft echter het aantal uren voor 2013 aangepast na overlegging van een arbeidsovereenkomst, waarmee appellante deels tegemoet is gekomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de 70%-regeling, die het aantal opvanguren beperkt, ook in het kader van de Participatiewet standhoudt en dat de Belastingdienst geen aanleiding had om hiervan af te wijken. Het voorgenomen wetsvoorstel tot verruiming van deze regeling is niet met terugwerkende kracht van toepassing. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.