ECLI:NL:RVS:2022:1632
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging matiging boete inburgeringsplicht wegens onevenredigheid
Bij besluit van 8 april 2019 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan appellante een boete van €1.250 op wegens het niet voldoen aan de inburgeringsplicht binnen de gestelde termijn, en bepaalde dat zij de lening voor de inburgeringscursus moest terugbetalen.
De rechtbank Rotterdam matigde deze boete tot €300, gelet op de door appellante geleverde inspanningen en het feit dat de minister haar op 14 oktober 2019 ontheffing verleende. Tevens speelde mee dat de minister niet alle correspondentie naar de gemachtigde van appellante stuurde en dat de minister niet tijdig met appellante sprak over haar situatie.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar leeftijd, analfabetisme en medische omstandigheden de boete onterecht maakten. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister discretionaire bevoegdheid heeft bij het opleggen van boetes en dat verwijtbaarheid volledig moet ontbreken om af te zien van boeteoplegging.
Omdat appellante pas na het verstrijken van de termijn met een cursus begon en laat om ontheffing vroeg, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij alles redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de matiging van de boete tot €300 en verklaart het hoger beroep ongegrond.