ECLI:NL:RVS:2022:1723
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 28 november 2018 de aanvraag van een vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 16 april 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing eveneens ongegrond op 23 april 2021.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris een juiste bewijsmaatstaf en beoordelingskader had gehanteerd. De Afdeling verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat een vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit ook met andere middelen dan een geldig identiteitsbewijs kan aantonen.
De Raad van State vernietigde daarom zowel het vonnis van de rechtbank als het besluit van de staatssecretaris en verklaarde het hoger beroep gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. Er was geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU.
Deze uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige en juiste bewijswaardering bij aanvragen voor verblijfsdocumenten van gemeenschapsonderdanen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.