ECLI:NL:RVS:2022:1798

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2022
Publicatiedatum
23 juni 2022
Zaaknummer
202101302/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering politieke overtuiging

De vreemdeling, afkomstig uit Ethiopië, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 19 maart 2020 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderkennen dat het besluit van de staatssecretaris onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De staatssecretaris had niet onderzocht of de vreemdeling een beschermenswaardige politieke overtuiging heeft, terwijl het geloofwaardig was dat hij betrokken was bij politieke activiteiten van Ethiopische bewegingen in Duitsland en Nederland.

De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris en verwijst de zaak terug voor een nieuw besluit waarin dit aspect wel adequaat wordt onderzocht en beoordeeld. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit met adequaat onderzoek naar de politieke overtuiging.

Uitspraak

202101302/1/V2.
Datum uitspraak: 23 juni 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 februari 2021 in zaak nr. NL20.7406 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 18 februari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. de Vries, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. De vreemdeling heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.       De vreemdeling, afkomstig uit Ethiopië, klaagt in zijn grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De staatssecretaris heeft immers ten onrechte niet onderzocht en beoordeeld of de vreemdeling een beschermenswaardige politieke overtuiging heeft, terwijl hij geloofwaardig heeft geacht dat de vreemdeling in Duitsland en Nederland heeft deelgenomen aan vergaderingen en activiteiten van de Ethiopische politieke bewegingen EPPF(G) en PG7.
2.       Het hoger beroep is alleen al daarom gegrond. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 19 maart 2020 wordt wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb vernietigd. Dit betekent dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen en daarvoor moet onderzoeken en beoordelen of de vreemdeling een beschermenswaardige politieke overtuiging heeft. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 februari 2021 in zaak nr. NL20.7406;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 19 maart 2020, V-[…];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2022
844