ECLI:NL:RVS:2022:1812
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen uitspraak verzet verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 22 juli 2019 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 24 maart 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank het beroep van de vreemdeling tegen dat besluit niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak deed de vreemdeling verzet, dat op 4 februari 2021 door de rechtbank ongegrond werd verklaard.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen een uitspraak op verzet geen hoger beroep mogelijk is. Het hoger beroep kan alleen worden toegelaten als sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, hetgeen hier niet aan de orde was.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. De staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 27 juni 2022.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak op verzet.