ECLI:NL:RVS:2022:184
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing herzieningsverzoek verblijfsvergunning en inreisverbod
De vreemdeling had een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, die op 6 april 2017 werd ingetrokken en waarbij een zwaar inreisverbod werd opgelegd. Op 4 december 2018 verzocht hij om herziening van dit besluit, maar dit verzoek werd afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde zich aanvankelijk onbevoegd en stuurde het beroep terug naar de staatssecretaris voor bezwaarbehandeling, welke ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank het beroep tegen deze beslissing ongegrond op 21 mei 2021.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure meldde de staatssecretaris dat de vreemdeling met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie Nederland had verlaten en met ondertekening van een vertrekverklaring op 19 november 2021 had ingestemd met beëindiging van de verblijfsrechtelijke procedures. Hierdoor ontbrak het belang bij verdere behandeling van het hoger beroep.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en bepaalde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer N. Verheij, met griffier D.I. van Kesteren.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na vertrek uit Nederland.