ECLI:NL:RVS:2022:184

Raad van State

Datum uitspraak
20 januari 2022
Publicatiedatum
20 januari 2022
Zaaknummer
202103844/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing herzieningsverzoek verblijfsvergunning en inreisverbod

De vreemdeling had een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, die op 6 april 2017 werd ingetrokken en waarbij een zwaar inreisverbod werd opgelegd. Op 4 december 2018 verzocht hij om herziening van dit besluit, maar dit verzoek werd afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde zich aanvankelijk onbevoegd en stuurde het beroep terug naar de staatssecretaris voor bezwaarbehandeling, welke ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank het beroep tegen deze beslissing ongegrond op 21 mei 2021.

De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure meldde de staatssecretaris dat de vreemdeling met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie Nederland had verlaten en met ondertekening van een vertrekverklaring op 19 november 2021 had ingestemd met beëindiging van de verblijfsrechtelijke procedures. Hierdoor ontbrak het belang bij verdere behandeling van het hoger beroep.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en bepaalde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer N. Verheij, met griffier D.I. van Kesteren.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na vertrek uit Nederland.

Uitspraak

202103844/1/V2.
Datum uitspraak: 20 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 21 mei 2021 in zaak nr. 20/3466 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2018 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om herziening van het besluit van 6 april 2017, waarbij hij de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft ingetrokken en een zwaar inreisverbod tegen hem heeft uitgevaardigd, oorspronkelijk opgevat als een verzoek om opheffing van dat zware inreisverbod en dat verzoek afgewezen.
Bij uitspraak van 26 februari 2020 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van de vreemdeling tegen het niet beslissen op zijn verzoek om herziening en dit beroep aan de staatssecretaris doorgezonden om als bezwaar te behandelen.
Bij besluit van 31 maart 2020 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 4 december 2018 door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 mei 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Köse, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de Afdeling laten weten dat de vreemdeling met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) uit Nederland is vertrokken. Met de ondertekening van de vertrekverklaring op 19 november 2021 heeft de vreemdeling ermee ingestemd dat de verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2022
915