ECLI:NL:RVS:2022:1895
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verblijfsverbod en last onder dwangsom tegen overlast in Amsterdam Centrum
De burgemeester van Amsterdam legde appellant een verblijfsverbod op voor het Centrumgebied van 24 augustus 2019 tot en met 23 februari 2020, nadat appellant op 25 juli 2019 op het Oudekerksplein werd betrapt op het proberen te verkopen van verdovende middelen. Tevens werd een last onder dwangsom van €1000 per overtreding opgelegd.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit en stelde beroep in bij de rechtbank Amsterdam, die het besluit bevestigde. In hoger beroep voerde appellant aan dat de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) onverbindend zou zijn vanwege strijd met de Opiumwet en dat het verblijfsverbod een bestraffende sanctie zou zijn. Ook stelde appellant dat het dwangsombedrag geen prikkel zou vormen vanwege zijn financiële situatie.
De Raad van State oordeelde dat de burgemeester bevoegd was het verblijfsverbod op te leggen op grond van de APV, die een ander doel dient dan de Opiumwet. Het doel van de APV is het herstel van de openbare orde en het tegengaan van overlast, niet het opleggen van straf. De proportionaliteit en subsidiariteit van het verblijfsverbod werden bevestigd, mede gezien eerdere overlast en het ontbreken van noodzaak voor appellant om in het gebied te verblijven.
Ook werd geoordeeld dat de last onder dwangsom een voldoende prikkel vormt om toekomstige overtredingen te voorkomen, ook bij beperkte financiële draagkracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verblijfsverbod met last onder dwangsom bevestigd.