Uitspraak
Datum uitspraak: 6 juli 2022
BESTUURSRECHTSPRAAK
appellant,
lid van de enkelvoudige kamer
griffier
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum weigerde op 6 juni 2019 een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een bijgebouw op een perceel in Hilversum. De weigering was gebaseerd op strijd met het bestemmingsplan "Noordwestelijk Villagebied". De appellant, eigenaar van het perceel, stelde dat het college van het bestemmingsplan had moeten afwijken en dat de weigering in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel omdat eerder een vergunning was verleend voor het plaatsen van een dak op het bijgebouw.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dit bij uitspraak van 6 juli 2022. De Afdeling oordeelde dat het college beleidsruimte heeft om belangen af te wegen en dat het belang van het voorkomen van bebouwing te dicht bij de erfgrens zwaarder woog dan de financiële gevolgen voor appellant.
Verder was de eerder verleende vergunning voor het dak beperkt tot het rechthoekige gedeelte van het bijgebouw en gold deze niet voor de uitbreiding. Hierdoor was er geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen dat de vergunning ook voor de uitbreiding zou worden verleend. Het verzoek om uitstel van de zitting werd afgewezen vanwege het niet verschijnen van appellant en zijn rechtsbijstandsverlener.
De Afdeling wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak, waarmee de weigering van de omgevingsvergunning definitief werd. Het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning wordt bevestigd.