ECLI:NL:RVS:2022:1953
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit bewaring vreemdeling ondanks detentiegeschiktheid
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 30 april 2022 in bewaring. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 mei 2022 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. In het hoger beroep werd onder meer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet had geoordeeld over de detentiegeschiktheid van de vreemdeling. De Raad van State oordeelde dat hoewel de rechtbank deze beroepsgrond niet had besproken, dit niet tot vernietiging van de uitspraak leidt omdat de beroepsgrond faalt.
De staatssecretaris had in het besluit terecht geoordeeld dat er geen omstandigheden waren die de detentie voor de vreemdeling onevenredig bezwarend maakten. Dit bleek ook uit het voorafgaande gehoor waarbij de vreemdeling verklaarde geen medische problemen of medicatie te gebruiken. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot inbewaringstelling bevestigd.