ECLI:NL:RVS:2022:2024
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering familiebanden
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 mei 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar en beroep verklaarde de rechtbank Den Haag het besluit van de staatssecretaris vernietigd wegens een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De staatssecretaris stelde bij een nieuw besluit van 14 april 2021 opnieuw dat er geen sprake was van meer dan normale emotionele banden tussen de vreemdeling en haar meerderjarige zoon, waardoor geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro werd aangenomen. De vreemdeling stelde dat dit besluit wederom ondeugdelijk was gemotiveerd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris de feiten en omstandigheden niet in onderlinge samenhang had beoordeeld en geen belangenafweging had gemaakt zoals vereist bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro. Daarom werd het besluit van 14 april 2021 vernietigd en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Het hoger beroep van de staatssecretaris tegen het eerdere vonnis van de rechtbank werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling benadrukte het belang van een deugdelijke motivering en belangenafweging bij beslissingen over familie- en gezinsleven in vreemdelingenzaken.
Uitkomst: Het besluit van 14 april 2021 wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en de proceskosten worden aan de staatssecretaris opgelegd.