ECLI:NL:RVS:2022:215
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dwangsomverdeling in vreemdelingenzaak na hoger beroep staatssecretaris
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde bij besluit van 15 februari 2021 vast dat hij gezamenlijk een dwangsom van € 665,00 aan de vreemdelingen verschuldigd was. De rechtbank Den Haag oordeelde op 1 juli 2021 dat de staatssecretaris aan iedere vreemdeling afzonderlijk een dwangsom van € 665,00 moest betalen, waardoor het totaalbedrag € 1.330,00 bedroeg. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom bevestigde de Afdeling de uitspraken van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 759,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door mr. C.J. Borman als lid van de enkelvoudige kamer, waarbij de griffier mr. A.K. de Keizer aanwezig was. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.