ECLI:NL:RVS:2022:217

Raad van State

Datum uitspraak
25 januari 2022
Publicatiedatum
25 januari 2022
Zaaknummer
202007066/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 6 EU-HandvestArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring vreemdeling en minderjarige kinderen met het oog op gedwongen vertrek naar Griekenland

Bij besluiten van 2 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een vreemdeling en haar minderjarige kinderen in bewaring gesteld met het oog op hun gedwongen vertrek naar Griekenland. De rechtbank Den Haag heeft op 18 december 2020 de beroepen tegen deze bewaring ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in strijd zou zijn met artikel 6 van Pro het EU-Handvest. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze rechtsvraag echter reeds beantwoord in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:28) en geoordeeld dat de wettelijke grondslag voor bewaring rechtmatig is en de grondrechten van de vreemdeling en haar kinderen respecteert.

De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. Hiermee blijft de bewaring van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen wordt bevestigd.

Uitspraak

202007066/1/V3.
Datum uitspraak: 25 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 december 2020 in zaak nr. NL20.20738, NL20.20742 en NL20.20743 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 2 december 2020 heeft de staatssecretaris de vreemdeling en haar minderjarige kinderen in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 18 december 2020 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling en haar minderjarige kinderen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling klaagt tevergeefs in haar enige grief dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in strijd is met artikel 6 van Pro het EU Handvest. Die rechtsvraag is bij uitspraak van 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:28, door de Afdeling beantwoord. Daaruit volgt dat artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 een grondslag biedt voor het in bewaring stellen van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen met het oog op hun gedwongen vertrek naar Griekenland en dat die grondslag de grondrechten van de vreemdeling en haar kinderen eerbiedigt.
De grief faalt.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2022
47