ECLI:NL:RVS:2022:217
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling en minderjarige kinderen met het oog op gedwongen vertrek naar Griekenland
Bij besluiten van 2 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een vreemdeling en haar minderjarige kinderen in bewaring gesteld met het oog op hun gedwongen vertrek naar Griekenland. De rechtbank Den Haag heeft op 18 december 2020 de beroepen tegen deze bewaring ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in strijd zou zijn met artikel 6 van Pro het EU-Handvest. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze rechtsvraag echter reeds beantwoord in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:28) en geoordeeld dat de wettelijke grondslag voor bewaring rechtmatig is en de grondrechten van de vreemdeling en haar kinderen respecteert.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. Hiermee blijft de bewaring van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen wordt bevestigd.