ECLI:NL:RVS:2022:2218
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- J.Th. Drop
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsontneming door late opheffing maatregel
De vreemdeling deed op 3 februari 2022 een asielverzoek aan de grens en werd in grensdetentie geplaatst. De rechtbank oordeelde op 7 februari 2022 dat de staatssecretaris de maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) moest opheffen omdat de juiste grondslag artikel 6, derde lid, was. De staatssecretaris hief de maatregel pas op 9 februari 2022 op en legde toen direct een nieuwe maatregel op op basis van het juiste artikel. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de maatregel niet onrechtmatig was. De Raad van State oordeelde dat doordat de staatssecretaris de maatregel niet binnen zes uur na het bevel van de rechtbank had opgeheven, de vrijheidsontneming onrechtmatig was. Dit maakte ook de daaropvolgende maatregel onrechtmatig. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
De Raad van State kende de vreemdeling een schadevergoeding toe van €300 over de periode van 9 tot en met 11 februari 2022 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €2.277. Omdat de maatregel inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.
Uitkomst: De Raad van State kent de vreemdeling een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige vrijheidsontneming en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.