ECLI:NL:RVS:2022:2270
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 februari 2021 de aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 1 september 2021 het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdelingen gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen sprake was van 'more than the normal emotional ties' tussen de vreemdelingen en hun referent, en dat daardoor geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven bestond in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris had volgens de Afdeling een belangenafweging moeten maken waarbij alle relevante feiten en omstandigheden betrokken worden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.277,00 die de vreemdelingen hadden gemaakt voor de beroepsmatige rechtsbijstand.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij beslissingen over verblijfsvergunningen op grond van artikel 8 EVRM Pro en corrigeert de eerdere onjuiste toepassing daarvan door de staatssecretaris en rechtbank.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.