AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing uitstel van vertrek vreemdeling wegens onvoldoende medische noodsituatie
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 februari 2021 het verzoek van de vreemdeling om uitstel van vertrek af op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de medische advisering geen sprake zag van een medische noodsituatie bij het uitblijven van behandeling, ondanks de stelling van de vreemdeling dat onbehandelde PTSS ernstige geestelijke schade kan veroorzaken.
De Raad van State bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De prejudiciële verwijzing van de rechtbank Den Bosch was niet van toepassing vanwege het verschillende feitencomplex.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
202204218/1/V2 en 202204218/2/V2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 17 juni 2022 in zaak nr. NL21.3581 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar krachtens artikel 64 vanPro de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 10 maart 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de vreemdeling onvoldoende heeft ingebracht tegen de conclusie van het Bureau Medische Advisering dat bij het uitblijven van de behandeling geen medische noodsituatie wordt verwacht. De enkele stelling van de vreemdeling dat het onbehandeld laten van PTSS tot ernstige geestelijke schade kan leiden, is daarvoor onvoldoende. Daarom hoefde de staatssecretaris geen navraag te doen naar behandelmogelijkheden in Somalië. De prejudiciële verwijzing van de rechtbank Den Bosch van 4 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:800, waar de vreemdeling naar verwijst, is door het verschillende feitencomplex niet van toepassing op dit hoger beroep.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.?
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.