ECLI:NL:RVS:2022:2295
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 4 juli 2021 aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 24 juni 2022 ongegrond verklaarde en tevens het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde aan dat er sprake zou zijn van ongerechtvaardigd onderscheid in het beleid omtrent rechtsbijstand tijdens het gehoor bij inbewaringstelling en vrijheidsontneming, in strijd met artikel 14 EVRM Pro.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het verschil in beleid geen ongerechtvaardigd onderscheid oplevert en dat de rechtsbijstand in beide situaties voldoende is gewaarborgd. Het hoger beroep bevatte geen vragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zodat het hoger beroep ongegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.