Uitspraak
Datum uitspraak: 10 augustus 2022
BESTUURSRECHTSPRAAK
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Raad van State
Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden legde appellant bij besluit van 1 december 2020 een last onder dwangsom op om de onderbemaling in een tertiaire watergang achter zijn woning te staken. Appellant betwistte dit en voerde onder meer aan dat het Peilbesluit onrechtmatig is, dat er geen vergunningplicht geldt voor onderbemaling en dat handhaving onevenredig is vanwege ecologische en archeologische belangen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de vergunningplicht en het handhavend optreden. Appellant ging in hoger beroep, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het Peilbesluit in rechte onaantastbaar is en dat de vergunningplicht uit de Keur niet in strijd is met de Waterwet. De Raad stelde vast dat appellant zonder vergunning het waterpeil lager hield dan het Peilbesluit voorschrijft, waardoor sprake is van een overtreding.
Verder overwoog de Raad dat het algemeen bestuur terecht handhavend optreedt, ook gezien het algemeen belang bij het handhaven van het waterpeil. De door appellant aangevoerde bezwaren over ecologische schade, stankoverlast, zettingen en archeologische waarden zijn niet voldoende onderbouwd om van handhaving af te zien. Het algemeen bestuur heeft bovendien adequaat op de zienswijze van appellant gereageerd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het algemeen bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit om appellant te gelasten de onderbemaling te staken en het waterpeil conform het Peilbesluit te herstellen.