ECLI:NL:RVS:2022:2395
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing belanghebbendheid bij handhavingsverzoek geestelijke gezondheidszorg arrestanten
Appellant, die in 2014 ten onrechte als verdachte werd aangemerkt en gedurende detentie geen geestelijke gezondheidszorg ontving, verzocht de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd handhavend op te treden tegen het onthouden van dergelijke zorg aan arrestanten in volledige beperkingen. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan persoonlijk belang. De rechtbank oordeelde dat appellant wel een actueel belang had, maar dat dit belang te ver verwijderd was van het handhavingsverzoek, waardoor het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk was.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel degelijk belanghebbende was, mede vanwege zijn traumatische ervaringen en het fundamentele recht op toegang tot de rechter. De Afdeling overwoog dat appellant weliswaar persoonlijke betrokkenheid heeft, maar dat zijn belang te algemeen en niet rechtstreeks betrokken is bij het handhavingsbesluit. De verwijzingen naar medische verklaringen en eerdere jurisprudentie konden dit niet veranderen.
De Afdeling stelde vast dat appellant zijn onrechtmatige behandeling tijdens detentie wel via de civiele rechter kan aanvechten en dat de beperking tot belanghebbenden in bestuursrechtelijke procedures het recht op toegang tot de rechter niet aantast. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbendheid.