AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beperking inzage mutatierapport politiegegevens in hoger beroep
In deze bestuursrechtelijke procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam betreffende de afwijzing van zijn verzoek om rectificatie van zijn persoonsgegevens in een mutatierapport van de politie.
De korpschef heeft verzocht om geheimhouding van het mutatierapport, waarbij alleen de Afdeling bestuursrechtspraak kennis mag nemen van het volledige stuk. De Afdeling heeft dit verzoek getoetst aan artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij belangen van partijen en het algemeen belang zorgvuldig zijn afgewogen.
De Afdeling constateerde dat de weggelakte passages in het mutatierapport geen persoonsgegevens van appellant bevatten, zodat geheimhouding daarvan gerechtvaardigd is. Het verzoek om geen kopie van de geschoonde versie aan appellant te verstrekken is eveneens gegrond verklaard vanwege het vertrouwelijke karakter van politiegegevens en de geldende praktijk van de korpschef.
De Afdeling heeft daarom bepaald dat appellant de geschoonde versie van het mutatierapport kan inzien op de griffie, maar geen kopie ontvangt. Dit besluit balanceert het belang van appellant om inzage te krijgen met het belang van de korpschef bij geheimhouding van bepaalde gegevens.
Uitkomst: De Afdeling wijst het verzoek tot beperkte kennisneming toe en legt de geschoonde versie van het mutatierapport ter inzage op de griffie.
Uitspraak
202105226/2/A3.
Datum beslissing: 23 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2021 in zaak nr. 19/5575 en 20/456 in het geding tussen:
[appellant]
en
Korpschef van politie.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2021 in zaak nr. 19/5575 en 20/456.
Het geschil in de bodemzaak betreft de afwijzing door de korpschef van het verzoek van [appellant] om rectificatie van zijn gegevens in een mutatierapport. Voorafgaand aan de beslissing op het verzoek tot rectificatie heeft [appellant] inzage gehad in zijn in dat mutatierapport opgenomen persoonsgegevens.
De korpschef heeft één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 vanPro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het gaat om het betreffende mutatierapport.
Overwegingen
1. De korpschef heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van het mutatierapport kennis zal nemen.
2. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3. De Afdeling heeft kennis genomen van het mutatierapport en van de geschoonde versie ervan en stelt vast dat de weggelakte passages niet [appellant] betreffende gegevens zijn. Het verzoek van [appellant] betreft de rectificatie van zijn eigen persoonsgegevens. De weggelakte gegevens hoeven alleen al daarom niet aan [appellant] te worden verstrekt. Dit betekent dat geheimhouding daarvan gerechtvaardigd is. De korpschef heeft bij zijn verzoek om geheimhouding ook verzocht om de geschoonde versie niet als processtuk aan [appellant] toe te sturen, omdat dit de staande praktijk van de manier waarop door de korpschef inzage wordt gegeven in politiegegevens zou doorkruisen. Deze praktijk houdt in dat nooit een kopie wordt verstrekt.
4. De Afdeling vat dit deel van het verzoek op als een verzoek om verdere beperking van de kennisneming van het mutatierapport als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. De Afdeling overweegt daarover als volgt.
5. Niet in geschil is dat [appellant] inzage heeft gehad in de geschoonde versie van het mutatierapport en dus kennis heeft van de daarin over hem vermelde gegevens. Het gaat hier om politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wpg. Gelet op het vertrouwelijke karakter van politiegegevens heeft de korpschef er belang bij dat de geschoonde versie van het mutatierapport niet in kopie aan [appellant] wordt verstrekt. De Afdeling vindt in dit specifieke geval dat het belang van de korpschef bij het niet verstrekken van de geschoonde versie van het rapport in kopie zwaarder weegt dan het belang van [appellant] om over een kopie van het stuk te beschikken. Aan de belangen van [appellant] kan in dit geval tegemoet worden gekomen door hem de gelegenheid te bieden het stuk op de griffie van de Afdeling in te zien.
6. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd voor zover het de ongeschoonde versie van het mutatierapport betreft en beperkt de kennisname van de geschoonde versie van het mutatierapport tot de terinzagelegging daarvan voor [appellant] op de griffie.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe met dien verstande dat de geschoonde versie van het mutatierapport voor partijen ter inzage op de griffie wordt gelegd.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen