AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake termijn en dwangsom bij bezwaarbesluit
Het hoger beroep betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland die een langere termijn gaf voor het nemen van een besluit op bezwaar dan de standaardtermijn volgens de Awb en geen dwangsom verbond aan die termijn.
De voorzieningenrechter overweegt dat het spoedeisend belang ontbreekt nu het bezwaar inmiddels kennelijk ongegrond is verklaard bij besluit van 10 augustus 2022. De rechtbank had op grond van artikel 8:55d, derde lid, Awb, besloten af te wijken van de standaardtermijn en het opleggen van een dwangsom vanwege de bijzondere omstandigheden, waaronder het grote aantal aanhangige zaken en de wens regie te houden over de afhandeling.
Verzoeker stelde dat de rechtbank buiten de omvang van het geding was getreden door het oordeel mede te baseren op andere procedures en niet op de eigen merites van de zaak. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de rechtbank terecht de context en samenhang van meerdere zaken heeft betrokken om tot een effectieve en finale oplossing te komen.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang na het nemen van het bezwaarbesluit.
Uitspraak
202204378/2/R4.
Datum uitspraak: 18 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Utrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 22 juli 2022 in zaak nr. 22/2459 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Openbare zitting gehouden op 18 augustus 2022 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. H.C.P. Venema, voorzieningenrechter
griffier: mr. S. Vermeulen
Verschenen:
[verzoeker], bijgestaan door mr. M.M. Breukers;
het college, vertegenwoordigd door mr. A. de Boer en mr. M. Snippe.
====================================
Het hoger beroep van [verzoeker] richt zich tegen de uitspraak van 22 juli 2022 van de rechtbank MiddenNederland. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter
wijst het verzoek af.
Gronden:
Het verzoek ziet op de door de rechtbank gegeven opdracht een besluit op het bezwaar van [verzoeker] te nemen, waarbij een langere termijn is gegeven dan bepaald in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb en geen dwangsom is verbonden aan de uitspraak in afwijking van het bepaalde in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Aan het verzoek om voorlopige voorziening ligt ten grondslag dat de rechtbank met deze afdoening geen of onvoldoende prikkel heeft gegeven om tijdig te beslissen. Inmiddels is bij besluit van 10 augustus 2022 het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Ten behoeve van het nemen van dit besluit was bij de rechtbank een beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld en met het oog op het nemen van dit besluit is het verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Nu dit besluit inmiddels is genomen, ontvalt daarmee het spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening.
Gelet op het bijzondere karakter van deze zaak ziet de voorzieningenrechter aanleiding om geheel ten overvloede nog het volgende op te merken.
De rechtbank heeft geoordeeld dat aanleiding bestaat om geen termijn van twee weken en geen dwangsom te verbinden aan de opdracht om op het bezwaar van [verzoeker] te beslissen. De rechtbank heeft daarmee toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De aanleiding daartoe heeft de rechtbank gezien in de wens om regie te kunnen blijven voeren op de afhandeling van de vele beroepen wegens niet tijdig beslissen en de in dat kader te nemen beslissingen op bezwaar.
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank is getreden buiten de omvang van het geding door het oordeel in de betreffende zaak af te stemmen op de andere tussen partijen aanhangige procedures en het betreffende beroep niet te beoordelen op de eigen merites. Met andere woorden, de bijzonderheden als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb moeten naar de mening van [verzoeker] worden gevonden in de betreffende zaak zelf en niet in de context van die zaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtbank geen verkeerde toepassing heeft gegeven aan de uitzonderingsbepaling van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De wetgever heeft met het bepaalde in het derde lid een uitzonderingsmogelijkheid gegeven op basis van de aanwezigheid van bijzondere gevallen. De nu tussen partijen bestaande rechtsbetrekking is in meerdere opzichten als bijzonder aan te merken. Alleen al in verband met het aantal aanhangige zaken en gelet op de samenhang daartussen. Dat de rechtbank daarbij mede het oog heeft gehad op andere aanhangige beroepen wegens niet tijdig beslissen is geen reden om te oordelen dat de rechtbank treedt buiten de omvang van dit geding met haar uitspraak. Het moet juist tot de taak van de rechter worden gerekend om bij de beoordeling van het aanhangige beroep de context van die zaak te betrekken om zodoende tot een effectieve en mogelijke finale oplossing van het geschil te komen.
Bij de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter bepaald dat het college geen proceskosten hoeft te vergoeden.