ECLI:NL:RVS:2022:2446
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing handhavingsverzoek tegen storten grond in strijd met Wet bodembescherming
Het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek wees het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het storten van vervuilde grond op een perceel te Aarle-Rixtel af. Appellant betoogde dat het college ten onrechte aannam dat de gestorte grond afkomstig was van een andere locatie en dat deze grond niet verontreinigd was.
Het college baseerde zich op transportbegeleidingsbrieven, meldingen bij het Besluit bodemkwaliteit, rapporten van Novaflow en M&A Bodem & Asbest BV, en toezichtrapporten die geen aanwijzingen voor bodemverontreiniging gaven. Appellant stelde dat de grond vermengd was met zwaar verontreinigd materiaal en dat de bodemkwaliteit niet voldoende onderzocht was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat het college terecht had aangenomen dat geen overtreding van artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming had plaatsgevonden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek is ongegrond verklaard omdat geen overtreding van de Wet bodembescherming is vastgesteld.