ECLI:NL:RVS:2022:2484
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 september 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 3 december 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag op 25 mei 2021 het beroep van de vreemdeling ongegrond.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen aanleiding gaf om het eerdere oordeel te vernietigen. De rechtsvraag was reeds eerder door de Afdeling beantwoord in een eerdere uitspraak, en het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe vragen die voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming van belang waren.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 25 augustus 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.