ECLI:NL:RVS:2022:2490
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 mei 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar en beroep verklaarden de staatssecretaris en de rechtbank het bezwaar en beroep ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat er geen meer dan normale emotionele banden tussen de vreemdeling en de referent bestonden en dat daarom geen beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro aanwezig was. De staatssecretaris had niet alleen moeten vaststellen dat dergelijke banden ontbraken, maar ook een volledige belangenafweging moeten maken, inclusief de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst.
Omdat de staatssecretaris deze belangenafweging niet had gemaakt en de rechtbank dit niet had onderkend, werden het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van 19 mei 2020 vernietigd. De staatssecretaris werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen en de proceskosten van de vreemdeling te vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.