ECLI:NL:RVS:2022:2519
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 juni 2020 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 19 februari 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit in een uitspraak van 14 juni 2021. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen meer dan normale emotionele banden bestonden tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende zoon, zonder dat een volledige belangenafweging was gemaakt zoals vereist op grond van artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris had deze belangenafweging niet verricht.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 19 februari 2021. De staatssecretaris werd opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de vreemdeling gehoord moet worden en een volledige belangenafweging moet worden gemaakt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met volledige belangenafweging.