ECLI:NL:RVS:2022:2520
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens schending hoorplicht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 27 juli 2020 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 1 maart 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris de hoorplicht in bezwaar niet had geschonden. Gezien het belang van artikel 8 EVRM Pro is het essentieel dat de vreemdeling in bezwaar wordt gehoord. De rechtbank had ook onterecht geoordeeld dat de vreemdeling in beroep kon reageren op nieuwe afwijzingsgronden die pas in het besluit op bezwaar waren aangevoerd, terwijl bezwaar- en beroepsfase wezenlijk verschillen.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 1 maart 2021. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Verdere inhoudelijke behandeling van het beroep was niet nodig.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van 1 maart 2021 wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.