ECLI:NL:RVS:2022:2561
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 november 2020 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen meer dan normale emotionele banden bestaan tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende zoon, en dat de staatssecretaris onvoldoende een volledige belangenafweging heeft verricht zoals vereist op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 20 oktober 2021 en draagt de staatssecretaris op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt en de vreemdeling op de juiste wijze moet worden gehoord. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met volledige belangenafweging.