ECLI:NL:RVS:2022:2643
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 27 maart 2019 de aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De vreemdelingen stelden vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep op 22 april 2021 ongegrond verklaarde. Hiertegen werd hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad van State heeft het hoger beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit van de staatssecretaris vernietigd. Tevens gelast de Raad dat de staatssecretaris het door de vreemdelingen betaalde griffierecht van €448,00 vergoedt. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer, waarbij mr. A. Kuijer als lid en mr. G.A. van de Sluis als griffier aanwezig waren.
Deze uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige beoordeling van aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf en benadrukt het recht op vergoeding van proceskosten bij gegrondverklaring van het beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd met vergoeding van het griffierecht.