ECLI:NL:RVS:2022:2721
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten na intrekking hoger beroep wegens verlenging verblijfsvergunning
De vreemdeling en referent stelden hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin hun aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning was afgewezen. Na een nieuw besluit van de staatssecretaris waarin het bezwaar gegrond werd verklaard en de vergunning werd verlengd, trokken zij het hoger beroep in en verzochten om vergoeding van de proceskosten.
De staatssecretaris erkende in het verweerschrift dat de verlenging mede gebaseerd was op een positief arbeidsmarktadvies van het UWV, waardoor werd aangenomen dat de staatssecretaris de vreemdeling tegemoet was gekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De Afdeling oordeelde dat de kosten van het hoger beroep niet nodeloos waren gemaakt, omdat de vreemdeling en referent terecht bezwaar maakten tegen de eerdere vaststelling dat niet aan de vergunningvoorschriften was voldaan.
De Afdeling bestuursrechtspraak besloot de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep, inclusief het betaalde griffierecht. Hiermee werd het verzoek van de vreemdeling en referent toegewezen.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 759,00.