ECLI:NL:RVS:2022:2738
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving gebruik bedrijfspand als woning in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde aan appellante een last onder dwangsom op wegens het gebruik van een bedrijfspand als woning in strijd met het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hordijk". Na een eerdere intrekking van het dwangsombesluit wegens verjaring, werd een nieuw dwangsombesluit opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde het handhavend optreden.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat er bijzondere omstandigheden waren die handhaving onredelijk maakten, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, vanwege onder meer inschrijving van de bewoner in de Basisregistratie Personen en het ontbreken van kennisgeving over bestemmingsplanwijzigingen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze gronden reeds gemotiveerd door de rechtbank waren beoordeeld en dat appellante geen nieuwe argumenten had aangevoerd.
De Afdeling bevestigde dat het college bevoegd was tot handhaving en dat het beroep op rechtszekerheid en vertrouwensbeginsel niet slaagde. Ook was het handhavend optreden niet onevenredig, mede omdat appellante wist of had kunnen weten dat het gebruik niet was toegestaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het handhavend optreden van het college bevestigd.