ECLI:NL:RVS:2022:2781
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 januari 2021 een aanvraag af voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor twee vreemdelingen. Het bezwaar hiertegen werd eveneens ongegrond verklaard op 14 september 2021. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De vreemdelingen en referent gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen meer dan normale emotionele banden bestaan tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende zoon en broer. De staatssecretaris had onvoldoende een volledige belangenafweging gemaakt zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 14 september 2021.
De staatssecretaris werd opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt met inachtneming van de actuele feiten en omstandigheden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met een volledige belangenafweging.