ECLI:NL:RVS:2022:2803
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing opheffing inreisverbod wegens onvoldoende belangenafweging
De vreemdeling, afkomstig uit Georgië, verzocht om opheffing van een tegen hem uitgevaardigd inreisverbod. De staatssecretaris wees dit verzoek op 21 februari 2021 af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 8 EVRM Pro, dat het recht op familieleven beschermt. De vreemdeling stelde dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met een psychologisch en psychiatrisch onderzoek waaruit bleek dat zijn moeder intensieve psychiatrische behandeling nodig heeft en dat hij een essentiële rol speelt in haar zorg en therapie. De rechtbank had dit onderzoek wel betrokken bij de vaststelling van het familieleven, maar niet bij de belangenafweging van de staatssecretaris.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder het onderzoek, in zijn belangenafweging had moeten betrekken en dat nader onderzoek noodzakelijk was. De rechtbank had dit niet voldoende getoetst. Daarom vernietigde de Raad van State zowel het vonnis van de rechtbank als het besluit van de staatssecretaris en wees het hoger beroep toe. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de juiste belangenafweging. De proceskosten van de vreemdeling worden vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe belangenafweging.