ECLI:NL:RVS:2022:2809
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitschrijving uit Basisregistratie Personen en opname in Registratie Niet-ingezetenen
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft [appellante] en haar drie minderjarige kinderen ambtshalve uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (Brp) per respectievelijk 2 december 2019 en 10 januari 2020, nadat een woningcorporatie melding maakte van schending van de zelfbewoningsplicht en het college geen feitelijke verblijfplaats kon vaststellen. Vervolgens zijn zij opgenomen in de Registratie Niet-ingezetenen (RNI).
[Appellante] maakte bezwaar tegen de inschrijving in de RNI en tegen de uitschrijving uit de Brp, maar het college verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde [appellante] dat de inschrijving in de RNI niet het gevolg kon zijn van de besluiten tot uitschrijving uit de Brp en dat het college onterecht het bezwaar niet ontvankelijk had verklaard.
De Raad van State oordeelt dat de inschrijving in de RNI is gebaseerd op de besluiten van 23 maart 2020, ook al is dit niet expliciet vermeld. De brief van 20 januari 2021 is geen besluit en het bezwaar daartegen was terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad constateert dat het college het bezwaar van 25 januari 2021 als aanvullend beroepschrift had moeten doorsturen aan de rechtbank, maar passeert dit gebrek omdat [appellante] daardoor niet is benadeeld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan [appellante].
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.