ECLI:NL:RVS:2022:2831
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 september 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Het bezwaar hiertegen werd op 3 maart 2021 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 11 juli 2022 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagt, omdat zij onvoldoende rekening hield met de emotionele banden tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende dochter. De staatssecretaris heeft geen volledige belangenafweging gemaakt zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden verricht en de vreemdeling gehoord moet worden, tenzij een uitzondering van toepassing is. Tevens wordt de proceskostenvergoeding aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en uitspraak worden vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met volledige belangenafweging.