ECLI:NL:RVS:2022:2897
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging
De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke op 28 mei 2019 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure werd dit besluit op 4 augustus 2020 gehandhaafd. De vreemdeling stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 april 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen 'more than the normal emotional ties' bestonden tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende zoon en dat de staatssecretaris geen volledige belangenafweging had verricht zoals vereist op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 4 augustus 2020 en bepaalde dat de staatssecretaris binnen twaalf weken een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt en de vreemdeling op de juiste wijze moet worden gehoord. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met volledige belangenafweging.