ECLI:NL:RVS:2022:2921
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor niet-registreren rust- en arbeidstijden door koeriersbedrijf
De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde op 2 december 2019 een boete van €20.750 op aan een koeriersbedrijf wegens het niet-registreren van de rust- en arbeidstijden van drie werknemers over 34 dagen in de periode april-mei 2018. De boete was gebaseerd op een boeterapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).
De rechtbank verklaarde het beroep van het bedrijf tegen de boete ongegrond, omdat het bedrijf als werkgever zelf verantwoordelijk is voor een deugdelijke urenregistratie, ongeacht dat de hoofdopdrachtgever PostNL een registratie bijhield. Het bedrijf stelde in hoger beroep dat de registratieplicht aan derden mocht worden uitbesteed en dat de registratieformulieren van PostNL voldoende waren, maar dit werd verworpen omdat er geen afspraken waren over uitbesteding en de formulieren geen inzicht gaven in begin- en eindtijden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bedrijf artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet heeft overtreden en dat de opgelegde boete niet onevenredig is. De boete was al gematigd ten opzichte van de maximale boete volgens de beleidsregel. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €20.750 wegens het niet-registreren van rust- en arbeidstijden.