ECLI:NL:RVS:2022:2926
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag schulddienstverlening wegens recidive fraudevorderingen
Appellant diende meerdere aanvragen in voor schulddienstverlening bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na een eerdere toewijzing in 2014 werd het traject beëindigd vanwege het niet melden van inkomsten. In 2017 werd een aanvraag afgewezen wegens meerdere fraudevorderingen bij de gemeente. In 2018 diende appellant opnieuw een aanvraag in, die in januari 2019 werd afgewezen vanwege recidive en het ontbreken van een actieve houding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college de afwijzing op grond van de beleidsregels terecht kon baseren. Appellant stelde in hoger beroep dat de terugvordering en boete voortvloeiden uit hetzelfde feitencomplex en dat de afwijzing onvoldoende was gemotiveerd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht rekening hield met de recidive en het gedrag van appellant, dat onvoldoende vertrouwen bood in een succesvol traject. Het feit dat de fraudevorderingen uit hetzelfde feitencomplex voortkomen, doet hieraan niet af. Ook het vermoeden dat het college haar positie als schuldeiser wilde versterken werd verworpen.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de aanvraag schulddienstverlening wegens recidive in fraudevorderingen en onvoldoende vertrouwen in succesvolle schulddienstverlening.