ECLI:NL:RVS:2022:2928
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing voorrangsverklaring wegens onvoldoende onderzoek onderhoudsproblemen woning
Appellante huurt sinds november 2016 een woning in Den Haag en vroeg een voorrangsverklaring aan vanwege ernstige onderhoudsklachten zoals vocht- en schimmelproblemen en ongedierte. Het college van burgemeester en wethouders wees de aanvraag af omdat de problemen volgens hen via de verhuurder konden worden opgelost. De rechtbank vernietigde dit besluit in 2019, stellende dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de nakoming van afspraken met de GGD over het oplossen van de gebreken.
Het college stelde in een nieuw besluit in november 2019 wederom dat de problemen via de verhuurder konden worden opgelost, waarop appellante beroep instelde. De rechtbank handhaafde dit standpunt in 2020. In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke nakoming van de onderhoudsafspraken. Bewijsstukken tonen aan dat ondanks opgepakte meldingen de problemen blijven bestaan, hetgeen mede wordt bevestigd door een GGD-rapport uit 2020.
De Afdeling vernietigt het besluit van 5 november 2019 en draagt het college op binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de actuele feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Tevens wordt bepaald dat tegen dit nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het college van B&W Den Haag tot afwijzing van de voorrangsverklaring wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.