ECLI:NL:RVS:2022:2961
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens schending hoorplicht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 12 augustus 2020 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 11 maart 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze beslissing bij uitspraak van 24 augustus 2021. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris terecht had afgezien van een hoorzitting in de bezwaarfase. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift en de jurisprudentie, terughoudend moet zijn met het afzien van de hoorplicht. In dit geval had de staatssecretaris de vreemdeling niet gehoord, terwijl dat wel had moeten gebeuren.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 11 maart 2021, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De griffierechten hoefden niet te worden vergoed omdat deze niet waren geheven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht.