ECLI:NL:RVS:2022:2981
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen niet-zittinguitspraak vreemdelingenzaak
Bij besluit van 9 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 september 2022 zonder zitting uitspraak deed en het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde echter dat zij op grond van artikel 8:104, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet bevoegd is om kennis te nemen van hoger beroep tegen een uitspraak zonder zitting.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd het hoger beroep te behandelen en wees zij het beroep af. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 17 oktober 2022.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het beroep af.