ECLI:NL:RVS:2022:3069
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 12 mei 2020 aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf van vier vreemdelingen af. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten, die op 22 december 2020 ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond in haar uitspraak van 10 november 2021.
De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen meer dan normale emotionele banden bestaan tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende familieleden, zonder dat de staatssecretaris een volledige belangenafweging heeft verricht zoals vereist op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van 22 december 2020. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken nieuwe besluiten te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt en de vreemdelingen gehoord moeten worden, tenzij een uitzondering op de hoorplicht van toepassing is. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten worden vernietigd; de staatssecretaris moet binnen twaalf weken nieuwe besluiten nemen met een volledige belangenafweging.