ECLI:NL:RVS:2022:3132
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 januari 2020 de aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakten zij bezwaar, dat op 8 februari 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen op 31 augustus 2021 gegrond, vernietigde het besluit maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven.
De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde, omdat de rechtbank en staatssecretaris niet voldoende rekening hadden gehouden met de emotionele banden tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende zoon en broer.
De Afdeling verwijst naar haar eerdere uitspraak waarin is bepaald dat bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro altijd een volledige belangenafweging moet plaatsvinden. De staatssecretaris heeft deze belangenafweging niet verricht. Daarom wordt het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze bepaalde dat de rechtsgevolgen in stand blijven, en wordt de staatssecretaris opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van artikel 7:2 Awb Pro en de vereiste belangenafweging.
Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht van de vreemdelingen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met een volledige belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM.