ECLI:NL:RVS:2022:3193
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak wegens niet-vergoeden proceskosten in vreemdelingenzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 november 2020 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 9 februari 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 september 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. Zij klaagde terecht dat de rechtbank bij toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb de staatssecretaris niet veroordeelde tot vergoeding van de proceskosten, ondanks dat het besluit gebreken vertoonde doordat relevante asielgegevens van een derde niet ter beschikking waren gesteld, wat in strijd was met fair play en equality of arms.
De Raad van State oordeelde dat dit gebrek aanleiding gaf tot vergoeding van de proceskosten. De overige grieven van de vreemdeling werden verworpen, waaronder de stelling dat de gezinsband met haar moeder niet was verbroken en dat zij daarom niet voldeed aan de vereisten voor een machtiging tot verblijf. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze de proceskostenvergoeding betrof en bevestigd voor het overige. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van € 2.277 aan proceskosten en € 181 aan griffierecht.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de proceskostenvergoeding betreft en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten.