ECLI:NL:RVS:2022:3212
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
CBR mag onderzoek naar rijgeschiktheid opleggen bij vermoeden rijden onder invloed en weigering medewerking
Appellant werd op 31 augustus 2020 staande gehouden door de politie terwijl hij een auto bestuurde. In het voertuig werden negen blokjes hasjiesj en vloeitjes aangetroffen. Appellant weigerde medewerking aan een speekseltest en bloedonderzoek. De korpschef meldde dit aan het CBR, dat op 21 oktober 2020 een onderzoek naar rijgeschiktheid oplegde. Appellant maakte bezwaar, dat door het CBR en later door de rechtbank Rotterdam werd afgewezen.
In hoger beroep betoogde appellant dat het CBR ten onrechte het onderzoek had opgelegd, onder meer omdat hij niet door rood zou zijn gereden, geen drugs had gebruikt en de auto niet van hem was. De Raad van State oordeelde dat het CBR mocht afgaan op de processen-verbaal van de politie, tenzij daarover twijfel ontstond. De betwisting van appellant was onvoldoende om de juistheid van de processen-verbaal te betwijfelen.
De Raad stelde vast dat het negeren van een rood verkeerslicht en de aanwezigheid van drugs in de auto voldoende aanwijzingen zijn voor een vermoeden van ongeschiktheid. De afwezigheid van uiterlijke kenmerken van drugsgebruik in het proces-verbaal doet hieraan niet af, omdat de genoemde omstandigheden niet cumulatief zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het CBR hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het CBR mag het onderzoek naar rijgeschiktheid opleggen.