ECLI:NL:RVS:2022:3257
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke bij besluit van 11 juni 2019 werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het beroep van de vreemdeling eveneens ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagde, omdat zij zich beperkte tot de constatering dat er geen meer dan normale emotionele banden bestonden tussen de vreemdeling en zijn familie in Nederland. De Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de staatssecretaris bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro een volledige belangenafweging moet maken, hetgeen hier niet is gebeurd.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 30 juli 2020 vernietigd. De staatssecretaris is opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de vreemdeling op de juiste wijze moet worden gehoord en de feiten en omstandigheden opnieuw moeten worden afgewogen. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris vernietigd en een nieuw besluit met volledige belangenafweging opgelegd.