ECLI:NL:RVS:2022:3262
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens ontbreken proceskostenveroordeling bij intrekking verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 6 december 2021 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Later, op 17 mei 2022, trok de staatssecretaris dit besluit in en verleende uiteindelijk op 18 juli 2022 alsnog de gevraagde vergunning. De vreemdeling stelde beroep in tegen het oorspronkelijke afwijzingsbesluit en tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het afwijzingsbesluit niet-ontvankelijk vanwege intrekking en oordeelde dat de proceskostenvergoeding in die zaak niet toekwam.
De vreemdeling ging tegen deze uitspraak in hoger beroep en klaagde dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling had uitgesproken voor het beroep tegen het ingetrokken besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank had moeten beoordelen of de intrekking als een tegemoetkoming aan de vreemdeling kon worden gezien, wat een grond vormt voor een proceskostenveroordeling. Gezien het aanbod van de staatssecretaris om de proceskosten te vergoeden en het feit dat de vergunning alsnog werd verleend, was een proceskostenveroordeling passend.
De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin geen proceskostenveroordeling werd uitgesproken en bepaalde de proceskostenvergoeding op € 759,00 voor het eerste beroep plus € 379,50 voor het hoger beroep. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van deze kosten, geheel toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van € 1.138,50.