ECLI:NL:RVS:2022:3344
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 29 januari 2020 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en een aanvraag tot wijziging van de beperking van die vergunning afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 3 april 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 14 juli 2021 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde daarna hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelt dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, aangezien de termijn voor het instellen van hoger beroep op 11 augustus 2021 eindigde en het beroepschrift pas op 12 augustus 2021 per post is bezorgd. De door de vreemdeling aangevoerde redenen om het beroep alsnog in behandeling te nemen, worden niet aanvaard.
Daarom verklaart de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer op 22 november 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.